DORDRECHT - De rechtbank heeft uitspraak gedaan in de zaak van een 78-jarige man die verdacht werd van het verspreiden, aanbieden, verwerven en in het bezit hebben van kinderporno over een periode van ruim anderhalf jaar in 2023 tot en met 2025. Daarnaast werden hem aanrandingen van een meerderjarige man in een periode die liep van januari 2005 tot en met het jaar 2016 verweten.


De zaak


In de periode van 4 april 2024 tot en met 1 augustus 2025 wordt er door Amerikaanse National Center for Missing and Exploited Children (NCMEC) waar tevens de Cybertipline is ondergebracht melding gemaakt van berichten die zouden gaan over kinderporno. Naar aanleiding van de berichten bij het Amerikaanse meldpunt, waarbij een IP adres is vermeld dat bij het adres van verdachte bleek te behoren, komt het in Nederland tot een huiszoeking door de politie. Hierbij worden verschillende gegevensdragers gevonden waarbij kinderporno wordt aangetroffen.

Naast het eerste feit wordt verdachte ook verweten een meerderjarige jongeman te hebben aangerand. Verdachte heeft zich langere tijd om deze kwetsbare man bekommerd. De aangever heeft uiteindelijk bij de politie gemeld dat verdachte hem meermaals zou hebben aangerand.

Bewijs


Met betrekking tot het bezit, aanbieden en verspreiden van kinderporno heeft verdachte geen verweer gevoerd. De rechtbank acht dat feit zelf ook wettig en overtuigend bewezen.

De aanrandingen acht de rechtbank echter niet bewezen. De rechtbank stelt in het vonnis voorop dat dergelijke feiten vaak plaatsvinden zonder dat er getuigen bij zijn en dat dat ook in deze zaak het geval was. Bovendien wordt de waarheidsvinding bemoeilijkt omdat het gaat over een ruime periode, waarbij het laatste incident tien jaar geleden plaatsgevonden zou hebben. De verklaring en beleving van aangever wordt niet onderbouwd door andere bewijsmiddelen. Ook zijn ouders kunnen uit eigen ervaring onvoldoende concrete feiten of omstandigheden noemen, die de verklaring kracht bij zetten. De verdachte heeft de verklaring van aangever tegengesproken, met name voor wat betreft het aanraken van het geslachtsdeel van de aangever. Voor wat betreft andere aanrakingen aan het hoofd van de aangever weerspreekt de verdachte het ontuchtige karakter van die handelingen.De rechtbank komt in het vonnis tot de conclusie dat het wettig bewijsminimum voor dit verwijt niet gehaald wordt en spreekt de verdachte daarom daarvan vrij.

Straf


Hoewel verdachte van een deel van de feiten wordt vrijgesproken, is de rechtbank van oordeel dat er geen lagere straf kan worden opgelegd dan door de officier van justitie is geëist. Een deel van de straf wordt voorwaardelijk opgelegd om herhaling in de toekomst te voorkomen. Daarnaast is de voorwaardelijke straf van belang om de door de reclassering voorgestelde bijzondere voorwaarden namelijk behandeling en begeleiding, mogelijk te maken.

De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van de tijd die hij al in voorarrest heeft gezeten. Van de gevangenisstraf van 12 maanden worden 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar opgelegd. Hierbij gelden de algemene voorwaarde dat verdachte zich niet opnieuw aan strafbare feiten schuldig zal maken en de bijzondere voorwaarden van reclasseringsbegeleiding. De bijzondere voorwaarde bevatten een ambulante behandeling gericht op diens psychische problematiek en seksueel overschrijdend gedrag, het vermijden van digitale omgevingen waarin hij in aanraking kan komen met kinderpornografisch materiaal of waarin daarover wordt gecommuniceerd en het toelaten van toezicht op deze voorwaarden.

De rechtbank vindt het van belang dat deze voorwaarden direct uitvoerbaar zijn, gezien het gevaar voor herhaling bij dit soort misdrijven.