DEN HAAG - Het gerechtshof Den Haag heeft vandaag in hoger beroep een verdachte vrijgesproken voor een feit, waarin hij werd verdacht van overtreding van artikel 240c (oud) Wetboek van Strafrecht (Sr), doordat hij zichzelf via een chatbot inlichtingen zou hebben verschaft tot het plegen van een zedenmisdrijf met een minderjarige. Het hof heeft de verdachte wel veroordeeld voor het bezit van kinderporno. Hiervoor is aan hem opgelegd een gevangenisstraf van 180 dagen, waarvan 179 dagen voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden, in combinatie met een taakstraf van 240 uur.
Eerste aanleg en hoger beroep
De rechtbank had in eerste aanleg de verdachte voor beide feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk, met oplegging van bijzondere voorwaarden. De verdachte was hiertegen in beroep gegaan. De verdachte heeft het bezit van de kinderporno bekend, maar hij was het niet eens met de veroordeling voor het feit met de chatbot en met de opgelegde straf. Het Openbaar Ministerie heeft in hoger beroep gevorderd de verdachte voor beide feiten een gevangenisstraf van 12 maanden op te leggen, waarvan 10 voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden.
Vrijspraak feit met chatbot
Een van de verweren van de verdediging was dat het gesprek met de chatbot alleen ging over grooming (artikel 248e (oud) Sr) en dat het zich verschaffen van inlichtingen daarover niet strafbaar is gesteld in artikel 240c (oud) Sr. Het hof komt na beoordeling van het chatgesprek en bestudering van de wetsgeschiedenis kort gezegd tot dezelfde conclusie en heeft de verdachte daarom van dit feit vrijgesproken. Het hof is hierdoor niet toegekomen aan de overige verweren van de verdediging ten aanzien van dit feit.
Opgelegde straf
Bij de bepaling van de op te leggen straf voor het bezit van kinderporno heeft het hof onder meer meegewogen de grote hoeveelheid kinderporno en de duur van het bezit. Anderzijds heeft het hof meegewogen dat de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is vanwege meerdere stoornissen, dat hij nu al geruime tijd vrijwillig en gemotiveerd onder behandeling is daarvoor en dat het volgens geraadpleegde deskundigen belangrijk is dat deze behandeling wordt voortgezet om herhaling te voorkomen. Het hof heeft daarom in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf een vrijwel geheel voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd, met bijzondere voorwaarden, waaronder het blijven volgen van de behandeling en een meldplicht bij de reclassering. De proeftijd is bepaald op drie jaren. Daarnaast heeft het hof aan de verdachte voor dit feit de maximale taakstraf opgelegd voor de duur van 240 uur.

14.1 ℃






































