ROTTERDAM - Het besluit van het college van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland waardoor het mogelijk is om vossen in het havengebied van Rotterdam te vangen en te doden, is niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en niet voldoende gemotiveerd. Dit volgt uit een uitspraak van de rechtbank Den Haag op het beroep van Fauna4Life en Stichting Animal Rights tegen de verleende ontheffing.


Vossen havengebied

In april 2024 besloot het college om de faunabeheereenheid Zuid-Holland toe te staan vossen in het havengebied te vangen en te doden en hun voortplantings- en rustplaatsen te verstoren. Volgens het college is dit nodig om de populaties van de kleine mantelmeeuw en de zilvermeeuw in het havengebied te beschermen tegen vossen. Die populaties zijn volgens het college flink afgenomen sinds de vos daar in 2015 zijn intrede heeft gedaan. In de periode van 2016 tot 2022 is het aantal vossen toegenomen van 3 naar 28, terwijl het aantal broedparen van de zilvermeeuw is afgenomen van 3.670 naar 1.587 en het aantal broedparen van de kleine mantelmeeuw van 24.963 naar 14.469. De ontheffing is ook verleend om te voorkomen dat vossen door het graven van holen schade aanrichten aan taluds van wegen, spoorwegen en tankdijken.

Oordeel rechtbank

De rechtbank oordeelt dat het college voldoende heeft onderbouwd dat door de toename van het aantal vossen, het aantal broedparen van meeuwen is afgenomen. Maar naar het oordeel van de rechtbank heeft het college onvoldoende onderzocht of er (gedeeltelijk) andere bevredigende oplossingen zijn dan het vangen en doden van de vos om de meeuwenpopulaties te beschermen.

Tussen partijen is niet in geschil dat niet het hele havengebied kan worden afgerasterd om de meeuwenpopulaties tegen de vos te beschermen. Op de zitting heeft het havenbedrijf toegelicht dat er nog altijd rasters worden geplaatst en er nog onderzoeken plaatsvinden naar andere locaties voor het plaatsen van rasters. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er dus in het havengebied nog altijd locaties waar een andere bevredigende oplossing dan vangen en doden van de vos mogelijk is. Daar komt bij dat niet duidelijk is hoeveel broedparen het college in het havengebied beoogt te beschermen. Daardoor is ook niet inzichtelijk in hoeverre het nog nodig is om naast het plaatsen van rasters op de daarvoor geschikte locaties over te gaan tot afschot van vossen buiten de rasters.

Over het voorkomen van graafschade oordeelt de rechtbank dat het college voldoende heeft onderbouwd dat vossen graafschade kunnen veroorzaken aan onder meer taluds van wegen, spoorwegen en tankdijken. Die schade kan grote gevolgen hebben voor de veiligheid van mensen. Daarmee heeft het college voldoende onderbouwd dat het vernielen van voortplantings- en rustplaatsen van vossen noodzakelijk is in het belang van de openbare veiligheid. Verder is aannemelijk geworden dat er geen andere bevredigende oplossingen zijn om de graafschade te voorkomen.